Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


babel_-_iii
Boektitels: B > - 001 t/m 100

Titel: Babel
Originele titel: -

Subtitel: -
Afwijkend titelblad: -
Officiële 1e publicatie:

Auteur:

Couperus, Louis
Vertaling: -
Omslag ontwerp: Nix, Robert | Omslag illustratie:
Binnenwerk illustratie(s): -

Uitgever (jaar): P. N. Van Kampen & Zoon, Amsterdam - Rond de Eeuwwisseling 3 (1977)
Redactie:
Druk: 1e | Uitvoering:
Soort: Roman | Pagina's: 113
Genre: Fantasy

ISBN: 90-6091-188-1
Opmerkingen:


Strip als: -
Hoorspel als: - | Luisterboek als: -
Film als: - | TV Serie als: -



Korte inhoudsopgave:
De hoofdpersoon is Cyrus. Hij is een prins van een herdersvolk maar hij verlaat zijn familie om een roeping; de roeping om mee te bouwen aan Babel. Hij maakt kennis met Myrrha, een danseres en volgelinge van Astarte, en dwaalt dagenlang doelloos door Babel. Wanneer hij herkend wordt als prins wordt hem een baan als opzicht over 15 slaven aangeboden.

Cyrus krijgt de kans om zich “schatrijk” te ranselen. Een opzichter die ziet dat Cyrus geen bouwmeester maar ook geen slaaf is zegt “broeder… Als ze niet werken willen, aan de luchtbrug, kan je ze immers martelen ook, ze honger laten lijden, ze neêrtrappen, ze neêrtrappen. Je kunt met ze doen wat je wilt. Je kunt ze laten zweeten, tot ze dood zijn. Duizend droppelen zweet zijn een halve darius. Ransel ze, laat ze zweeten…”.

Cyrus is niet bereid om anderen af te ranselen. In plaats daarvan geselt hij de opzichters en ontketent hij dertig van de slaven. Zij loven hem met de woorden “…Heiland, verlosser, glansrijke zoon van Baäl!”.

Het vrijlaten van de slaven is in Babel een vergrijp. Cyrus wordt in de cel geworpen en voor de rechtbank gebracht. In de rechtszaal van de “Opperrechter des Opperbouwmeesters van Babels Vijfde Terras” wordt Cyrus herkend als de door de wichelaars voorspelde verlosser. Hij zal, zo menen zij, Babel's toekomst en noodlot zijn “van verre gekomen, als een arend, Babel op, maar zijn hart zal, zo zeggen de wichelaars, zijn “dat van een duif…” Cyrus wordt aangekondigd als “de oproerling: het noodlot, hij is de toekomst! Hij is het, dien de Opperbouwmeester van Babels Vijfde Terras…”.

Het noodlot speelt in het oeuvre van Couperus een grote rol en het begrip van noodlot, een onontkoombare toekomst, duikt ook in Babel een aantal malen op[10]. Na een confrontatie met de jeugdige opperbouwmeester die teleurgesteld blijkt dat de “bevrijder op Babel” dan wel het medelijden brengt, maar geen medelijden heeft met de bouwmeester.

Het medelijden, door Cyrus gebracht, is het overheersende thema van het boek. Het was in Babel onbekend.

Op een nog hoger terras leert Cyrus de priesteres en opperbouwmeesteres Idonia kennen. Deze meent met met Cyrus te kunnen spelen en het noodlot dat Babel wacht te kunnen ontlopen. “Ik laat hem vallen, en het zal zijn een genot te bespeuren in zijn zonne-oogen het duister van zijn ontgoocheling. Hij is aan mij, aan mij: hij is aan mijn lust, aan mijn genot. Ik zal met hem spelen, ik zal hem kneden, als een vlam, die ik wring in mijn witte handen” zo spreekt zij.

Op de hoogste terrassen van Babel deelt Cyrus een tijdlang de luxe van de bouwmeesters. Zij bezitten prachtige tuinen die door aquaducten worden geïrrigeerd. Die overdaad is de vrucht van slavenarbeid. Couperus vertelt: “Een leger van slaven, geketend aan elkaâr, wriemelde langs geheel het wonderwerk, onder de geeselen van sluiswachters en opzieners. De geleidingen kwamen van de bergen als kunstige rivieren zelve, liepen als kanalen door de woestijn - en met de hoogste kunst der machtige Bouwmeesters werd het water opgevoerd langs de terrassen tot in den tuin der Opperbouwmeesteres. Men zeide, dat dertig duizenden, vijftig duizenden slaven werkten aan het wonder… In de bergen kwamen zij om bij honderden, omdat de geleidingen daar sneden onbegaanbare rotsmassa's. In de woestijn kwamen zij om bij duizenden, tot krankzinnigheid getroffen door de schichten van Baäl”.

Een noodweer dat de hemel verduistert doet de bevolking vrezen dat Baäl ontevreden is. De machten die Babel beheersen reageren ieder op eigen wijze; de priesters roepen “Buigt u voor hem, buigt u voor ons en offert! Wij zijn de bemiddelaars! Offert, offert! Wij zijn het, wij zijn het!”. De wijsgeren zeggen de “waarheid en de wijsheid” te zijn. Zij roepen: Wij zijn de zonen van Baäl en zullen u geven het zuivere voedsel voor uwe ziel! Langs de trappen onzer ideeën wil de godheid, dat ge haar nadert. Staakt den Bouw, staakt den Bouw! Zweert af allen hoogmoed en materie! Heft de ziel hoog langs een trap van extaze en niet langs treden van marmer! Staakt den Bouw, staakt den Bouw!”. De wichelaars op hun beurt stellen dat zij weten wat goed is. Zodra de hemel weer zichtbaar is zullen zij immers weer uit de sterren kunnen lezen wat de wil der goden is.

Idonia, niet onder de indruk van het noodweer, zegt tot Cyrus “Wees god; een god kent geen medelijden!”. Het bedrog van de menigte die aan Babel bouwde wordt door haar met de volgende woorden uitgelegd: “Cyrus, kind, word wijs… Er is niets, er is niets! Babel is niet hoog, de Bouwmeesters zijn niet edel en het is alles domme hoogmoed en zelfbedrog… Maar zij bouwen steeds voort, de Bouwmeesters, omdat zij anders verliezen zouden hun macht, hun kracht, en de glans, die straalt om hen heen in het oog van de domme menigte! Zij zeggen hoog te willen bouwen, zij zeggen, tot Baäl toe, maar zij denken niet aan hoogte en niet aan Baäl, en zij lachen om de verblinding der menigte… Verblind, wordt de menigte hun tot slaven. Ha ha, Cyrus, zij vreezen Baäl!!! Maar Cyrus… er is geen Baäl, en Astarte, Cyrus, ben ik!”.

De priesters en bouwmeesters hebben Babel alleen breder, maar niet hoger gemaakt. Het reusachtige bouwwerk diende alleen te hunner glorie. De mensen op de lagere terrassen zijn bedrogen.

De meedogenloze bouwmeesteres en priesteres Idonia wordt door Cyrus gewurgd en stierf “verschroeid “in de vlam, die zij in hare handen had willen wringen…””.

Epiloog
Babel eindigt met een epiloog. Dezelfde twee goden als in de proloog zien de chaos in Babel vanuit hun hemels verblijf aan. Astarte noemt Cyrus nu haar “uitverkoren zoon”. Zij juicht over de “nieuwe menschelijkheid” die is “ontsproten op het harde graniet van Babels hoogmoedige treden” en roept “Baäl, er bloeit het Medelijden! Baäl, er bloeit het Medelijden!”.


babel_-_iii.txt · Laatst gewijzigd: 2017/01/16 19:10 door prediker



Er zijn 23 bezoekers online